Aardappelteelt begint al jaren voordat het pootgoed de grond in gaat
Aardappelteelt begint al jaren voordat het pootgoed de grond in gaat
In de afgelopen decennia is het landbouwkundig onderzoek in Nederland enorm versplinterd en uit elkaar gegroeid. En ja, boeren hebben vertrouwen in onderzoek, maar hun vertrouwen is niet onvoorwaardelijk. Ook sluit het onderzoek niet altijd goed aan op de urgente problemen waarmee boeren worstelen in de praktijk.
De initiatiefnemers van Crkls: Misset Uitgeverij, BO Akkerbouw, Wageningen University & Research, Aeres Hogeschool en Groen Kennisnet willen hier wat aan doen voor een toekomstbestendige landbouw in Nederland die nu voor grote uitdagingen staat.
Het kennisplatform Crkls wil het kaf van het koren scheiden en bewezen kennis gemakkelijk vindbaar maken voor boeren op een plek. De resultaten van alle onderzoeken en praktijkproeven in Nederland worden verzameld en door een onafhankelijke redactie beoordeelt en op een uniforme en compacte wijze gepubliceerd.
Onderzoek in opdracht van BO-Akkerbouw laat zien dat de kans op besmetting met coloradokevers groter is als aardappelen grenzen aan een perceel waar het jaar ervoor ook aardappelen stonden. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij alternaria. Waar het effect bij coloradokevers tot zo’n 100 meter in het perceel reikt, gaat het bij alternaria om zo’n 3 tot 12 meter.
In Integrated Crop Management (ICM) is het streven om ziekte- en plaagdruk in een rotatie zoveel mogelijk te verminderen. Om dat te kunnen doen, moet je de levenscyclus van de schimmel of de plaag kennen. Pas dan weet je of bepaalde maatregelen effectief kunnen zijn. De interesse ging in dit geval uit naar de vraag hoe coloradokevers-organismen de winter doorkomen en wat dat betekent voor de eerste vraat. Voor altenaria speelt zowel de overleving sinds de vorige aardappelteelt een rol, als wat is er in de omgeving is gebeurd.
Om te onderzoeken of de kans op aantasting door coloradokever en alternaria groter is naast een perceel waar een jaar eerder ook aardappelen stonden, zijn aardappeltelers benaderd in Noordoost- en Zuidoost-Nederland en in Flevoland. Gezocht werd naar percelen waar aan de ene kant een jaar eerder aardappelen werden geteeld en aan de andere kant een ander gewas. Tijdens het seizoen werd vervolgens aan beide kanten het aantal coloradokevers geteld. Later in het jaar werd ook de mate van alternaria-aantasting geschat. De betrokken telers waren vrij om hun normale bedrijfsvoering aan te houden.
In Flevoland was de keverdruk in 2022 zo laag dat op basis van die paar kevers geen conclusies konden worden getrokken, behalve dan dat de populatie bij lange na niet in de buurt van de schadedrempel kwam. De coloradokevers werden geteld in aardappelpercelen in Groningen, Drenthe, Noord-Brabant en Limburg. Ondanks de grote spreiding laten de tellingen een duidelijk verband zien tussen het aantal kevers en de afstand tot een aardappelperceel een jaar eerder (figuur 1).
Op afstanden van meer dan 150 meter werden geen kevers meer gevonden. Dit suggereert dat het verstandig is om, met het oog op de coloradokever, geen aardappelen te telen naast een perceel waar het voorgaande jaar aardappelen stonden. Naarmate de afstand groter wordt, lijkt ook de plaagdruk af te nemen. Dat roept meteen de vraag op of plaatsspecifieke bestrijding de epidemie zou kunnen onderdrukken, mocht de schadedrempel toch worden overschreden.
Tekst gaat verder onder de grafiek.

Figuur 1. Het aantal waargenomen coloradokevers in de buitenste twee aardappelruggen, in relatie tot de afstand tot een perceel waar het jaar ervoor aardappelen stonden.
Voor alternaria bleek het op praktijkpercelen veel lastiger om waarnemingen te doen. De mate van aantasting was vaak laag. Daarom is er vanaf 2024 voor gekozen om gebruik te maken van aardappelpercelen op proefbedrijven die volgens praktijk werden geteeld. Dat gaf de mogelijkheid om aan de bedrijfsleiders te vragen om niet te spuiten tegen alternaria.
Daarnaast kon op een deel van de percelen een buffer van 3 meter zomergerst worden aangelegd. Zowel in Vredepeel als in Marwijksoord kwam er geen duidelijk effect van het buffergewas naar voren. Wel bleek op drie van de vier locaties een relatie te bestaan tussen de mate van alternaria-aantasting en de afstand tot een perceel waar het voorgaande jaar aardappelen stonden (figuur 2). In die gevallen was de aantasting in de rand hoger dan in de rest van het perceel. Op één perceel was de mate van aantasting te laag om een relatie te kunnen vaststellen.
Tekst gaat verder onder de grafiek.

Figuur 2. Mate van alternaria-aantasting (%) in relatie tot de afstand van een aardappelgewas een jaar eerder (4 proeven).
Een maatregel uit het ICM-raamwerk is de keuze van het perceel. Dat gaat het niet alleen om de historie van het perceel zelf, maar ook wat er in de omgeving is gebeurd. Uit het onderzoek is gebleken dat de kans op coloradokevers groter is als de aardappelen geteeld worden naast een perceel waar een jaar eerder aardappels hebben gestaan in plaats van een ander gewas.
Als een teler aardappelen kan telen waarbij het perceel in het geheel niet grenst aan een perceel waar een jaar eerder aardappelen hebben gestaan verlaagt dat de plaagdruk. Is dat niet mogelijk dan zijn er wellicht plaatsspecifieke mogelijkheden voor beheersing. Die kant van het perceel is ook de plek om de eerste kevers te vinden en de plaagdruk te bepalen. Voor alternaria werd hetzelfde effect gevonden, maar op een veel kleinere schaal. Een bufferzone van 3 m lijkt het randeffect al voor het grootste deel op te heffen.